Toen ik de foto’s terug zag van wat Lori’s in Avifauna, vroeg ik me af hoe evolutie een rol speelt bij kleuren in de natuur. Prooidieren die een schutkleur hebben zijn in het voordeel van dieren die meer opvallend zijn. En roofdieren kunnen dichter bij hun prooi komen als zij ook een schutkleur hebben. Maar waarom heeft een Lori dan zo’n opvallende kleur? Eenmaal op zoek naar het antwoord hierop, kwam ik in een interessante wereld van zicht, licht en kleur.

Waarschijnlijk begon de evolutie van zicht met dieren die onderscheid konden maken tussen licht en donker en misschien wat grijstinten er tussen in. Deze dieren konden beweging detecteren en zich in veiligheid brengen (prooidieren) of er juist op af gaan (roofdieren). Ze hadden een evolutionair voordeel.

Een probleem van dit rudimentaire zicht is dat het nauwelijks mogelijk is onderscheid te maken tussen verschillende objecten. Met kleurenzicht is dit onderscheid wel te maken en dieren waarbij zich dit ontwikkelde waren weer in het voordeel. Uiteindelijk was kleurenzicht zo belangrijk in de evolutie, dat het zich in het dierenrijk verschillende keren heeft geëvolueerd, los van elkaar.  Wij mensen kunnen met het oog drie basiskleuren zien: rood, groen en blauw. Bepaalde vogels en vissen kunnen een vierde onderscheiden: ultraviolet.

Naast kleurenzicht kan het hebben van een bepaalde kleur en patroon ook voordelen hebben. Hierboven noemde ik al schutkleuren. Er zijn echter ook juist dieren die erg te koop lopen met hun kleuren, om duidelijk te maken dat ze vies of giftig zijn ( het is beter dat een roofdier van je afblijft in plaats van dat het een hap neemt en er dan pas achter komt dat het een foute keuze was). En dan zijn er dieren die zelf niet giftig zijn, maar dezelfde kleuren en patronen hebben aangemeten als giftige dieren. En dan zijn er ook weer dieren die kleuren en patronen gebruiken om anderen af te leiden of af te schrikken, bijvoorbeeld vlinders met ogen op de vleugels.

Nu we het toch over kleuren hebben: wat geeft iets kleur?

Meestal gebeurt dit met pigmenten. We noemen iets een pigment als het bepaalde kleuren van het lichtspectrum absorbeert en een gedeelte maar reflecteert. Als een pigment alle kleuren van de regenboog absorbeert behalve rood, dan noemen we dit pigment rood. Een belangrijke eigenschap van een pigment is dat het kleurvast is, in de zin dat het niet uitmaakt van welke kant je er naar kijkt.

Kleur kan echter ook met structuur worden bereikt: het oppervlak van bijvoorbeeld een veer van een pauw bevat microscopische structuren. Hierdoor worden door interferentie bepaalde delen van licht gedempt en wordt dus maar een gedeelte van het licht gereflecteerd. In het dierenrijk komen we veel structurele kleuren tegen.

Als we naar de kleur blauw kijken, blijkt dat in het dierenrijk dit pigment bijna nooit voor komt. De kleur komt dan van de microscopische structuur van het dier. Zo heeft de vlinder Morpho didius fel blauwe vleugels, maar heeft het geen blauw pigment. De blauwe kleur is het gevolg van de microscopische structuur van de vleugels: lichtstralen vallen in een labyrint van vertakkingen en breken op in alle kleuren van de regenboog. Door interferentie doven de kleuren uit. Behalve het blauwe deel van het spectrum. Door de precieze dimensies van het labyrint komen deze stralen er ongeschonden uit.

Nog één leuke wetenswaardigheid, nu over groen. Planten maken dit pigment makkelijk aan, maar voor dieren is dit juist weer moeilijk. En toch zijn er veel groene dieren. Veel hiervan maken gebruik van een combinatie van geel pigment en een blauwe structurele kleur. Samen levert het groen. Als het dier sterft breken de gele pigmenten snel af, waardoor het dier er blauw uit gaat zien.

En, hoe zit het nou met de Lori? Waarschijnlijk is het een combinatie van factoren: onderzoek wijst uit dat in dicht begroeide gebieden vogels minder last hebben van roofdieren dan in open gebieden. En kleur maakt hierbij niks uit.  Vaak speelt de achtergrond een belangrijke rol, veel kleurrijke tropische vogels leven te midden van kleurrijke begroeiing. Er is trouwens ook een studie die aantoont dat kleurrijke vogels voorzichtiger zijn dan gemiddeld en dus zich bewust lijken te zijn van hun opvallende verenkleed.